test

Cultuurbeleid

Cultuurbeleid van overheden draagt bij aan de instandhouding, ontwikkeling en verspreiding van kunst en cultuur, op zowel landelijk als internationaal niveau. Het bekendste middel dat hiervoor wordt gebruikt is subsidie , maar denk ook aan belastingmaatregelen en wet- en regelgeving zoals hoge en lage btw -tarieven en de Geefwet. Hiermee beïnvloedt het cultuurbeleid zowel de gesubsidieerde als de ongesubsidieerde organisaties in diverse sectoren.

Alle overheden formuleren hun eigen cultuurbeleid. De rijksoverheid heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd voor de periode 2017-2020: kwaliteit staat voorop, ruimte voor innovatie en profilering en samenwerking als tweede natuur. Belangrijke thema’s zijn cultuureducatie, talentontwikkeling, maatschappelijke waarde, digitalisering en internationaal cultuurbeleid. Op dit moment worden gesprekken gevoerd over het cultuurbeleid na 2020. Op provinciaal en gemeentelijk niveau ligt meer nadruk op het regionale en lokale cultuurbeleid en voorzieningen als cultuureducatie en amateurkunst.

Financiering van het cultuurbeleid

De politiek bepaalt hoeveel overheidsgeld er beschikbaar wordt gesteld om dit beleid te financieren. Dit gebeurt zowel op rijksniveau, als bij provincies en gemeenten. Overheden en fondsen vragen vervolgens onafhankelijke adviseurs om de kwaliteit van subsidieaanvragen te beoordelen. Zij adviseren over toekenningen aan bepaalde projecten, gezelschappen of kunstenaars.

Uitgaven op rijksniveau worden in de media vaak uitgebreid besproken. Toch zijn de subsidies die door het rijk worden verstrekt relatief weinig, namelijk maar 30% van de totale som aan subsidies. Gemeenten zijn de heuse geldschieters die met 60% het grootste deel van alle subsidies financieren. De provincies hebben een aandeel van 10%. Deze verdeelsleutel gaat niet op voor alle culturele instellingen, omdat het beleid per provincie en gemeente sterk verschilt.

Basisinfrastructuur
Op rijksniveau wordt er onderscheid gemaakt tussen instellingen die wel en niet tot de culturele basisinfrastructuur (BIS) behoren. De BIS wordt direct gefinancierd door het ministerie van OCW en omvat de cultuurfondsen, sectorinstituten en instellingen die volgens de overheid van nationaal belang zijn. Zij krijgen allemaal een vierjarige subsidie . Een groot deel van alle culturele instellingen krijgt (aanvullende) subsidie via een van de zes overheidsfondsen die in de BIS zijn opgenomen: Fonds Podiumkunsten, Nederlands Filmfonds, Fonds voor Cultuurparticipatie, Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Nederlands Letterenfonds en Mondriaanfonds.

In de pdf Cultuurbeleid vind je meer informatie over de besluitvorming, totstandkoming en uitvoering van dit beleid.

Inkomsten cultuursector
Bron: Berenschot / Boekman 2015

Mediabeleid

Voor de media (radio- en tv-omroepen, kranten en internet) is een apart beleid opgesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dit mediabeleid zorgt ervoor dat de media in Nederland en op Europees niveau een gevarieerd aanbod aan radio- en televisiezenders vormen, dat ze onafhankelijk kunnen werken en voor iedereen toegankelijk zijn.

Daarnaast ziet de overheid erop toe dat de media op een verantwoorde manier gebruikt worden. De Europese richtlijn Audiovisuele Mediadiensten en de Mediawet vormen de basis van het mediabeleid.

Mediawet
In de Mediawet zijn eisen aan de publieke en commerciële omroepen vastgelegd. Voor de commerciële omroepen geldt dat zij niets mogen uitzenden wat schade kan toebrengen aan de ontwikkelingen van kinderen die jonger zijn dan 16. Dit geldt ook voor de publieke omroepen. Omdat zij met subsidiegeld werken, moeten zij aanbod verzorgen wat een evenwichtige afspiegeling van de samenleving toont. Daarmee moet een breed publiek bereikt worden en moeten de programma’s losstaan van commerciële invloeden. Daarnaast zijn er bepalingen omtrent het bestuur van de publieke omroep, de verdeling van zendtijd over de omroepen en de taak waaraan een omroep zich dient te houden.

In 2014 is er een eerste wijziging van de Mediawet gerealiseerd. Er werd onder andere een aantal omroepen gefuseerd. In 2016 is de wet opnieuw aangepast. Een belangrijke wijziging is dat amusement niet meer als kerntaak gezien wordt, maar nog wel onderdeel mag zijn van het aanbod zolang dit als doel heeft om bepaalde minderheidsgroepen te bereiken.

emailFacebookTwitterLinkedinGoogle+